zondag 30 maart 2008

Fragmenten

1.

Liefde bestaat alleen bij de gratie van haar ontkenning.
Ik zit naast je in de bus, kijk vanuit mijn ooghoeken hoe je uit het raam staart en ontken alles. Wij? Wij hebben geen lichamen. Wij zien niet dat T-shirts ineens omhoog kunnen kruipen om zomaar de geul van iemands rug te onthullen, of dat spijkerbroeken soms precies die bepaalde rondingen kracht bijzetten. Er is geen andere mogelijkheid, geen onuitspreekbaar diepe afgrond, geen bang verlangen. Ik heb nooit mijn hoofd op jouw schouder gelegd, net zoals jij mij nooit pesterig tegen de grond hebt gewerkt om even heel, heel dichtbij te zijn. Ik kijk eigenlijk ook niet naar jou. Ik kijk dwars door je heen naar de voorbijrazende heuvels.
Liever dat dan je nekharen.
Of je oorlel.
Of de explosie van sproeten op je wang.

2.

Je zet je MP3-speler uit en begint te praten.
“Stel dat je een dubbelganger had, zou jij jezelf dan mogen?”
“Weet ik veel. Misschien wel.”
“Ik zou mezelf niet mogen.”
“Haat je jezelf dan?”
“Nee, maar als iemand precies hetzelfde zou zijn als ik dan zou ik die persoon wel haten.”
“Waarom in godsnaam?”
“Ik zou denken: god, wat een vervelende vent. Beetje bij iedereen slijmen, hoop praatjes, alleen maar slap geouwehoer over niks.”
Ik wil je dubbelganger zijn, overweeg ik nog te zeggen. Ik wil weten hoe het voelt om jouw gezicht in de spiegel te zien, naakt te zijn in jouw huid en jouw hand aan mezelf te slaan. Ik zou als jou naast mezelf in de bus willen zitten om dezelfde idiote vragen te stellen. Ik zou één keer willen meemaken hoe het is om zo achteloos mijzelf te zijn.
“Onzin,” zeg ik, “iedereen vindt jou aardig, dus zou jij jezelf ook aardig vinden.”
“Maar ik zou er doorheen prikken, door die zogenaamde aardigheid.”
Je glimlacht. Ik glimlach terug. Ik doe mee aan alle samenzweringen die om jou draaien.

3.

De zon verdwijnt. Rondom ons wordt alles eerst grijs, dan donker. Ver weg klinkt nog het laatste koppige gesprek – flarden van stemmen die we niet meer herkennen. De bus glijdt als een doodskist door het kale landschap, zacht zoemend en rozig warm. Je praat tegen me, maar ik luister al lang niet meer naar wat je zegt. Ik dein alleen nog op het ritme van je stem. Als ik maar ver genoeg kan wegzakken, dwars door het wak in mijn bewustzijn, zou ik dan eindelijk het patroon kunnen zien? Ik wil de cocon van ons samenzijn begrijpen. Ik wil weten wat ons bijeen houdt. Er moet een verband zijn, een web van onzichtbare draden - iets. Of jij zulke dingen zelfs maar vermoedt, durf ik niet te zeggen. Het doet er ook niet toe. Als ik de enige ben die beseft wat ons omgeeft, behoort het mij toe, en mij alleen. Mijn liefde is een stinkjaloerse god.

4.

Ik weet eigenlijk helemaal niet wie je bent. Je komt dichterbij en lacht zoals ik je nog nooit heb zien lachen. Ik vergeet alles. Ik heb geen idee.

1 opmerking:

Snel© zei

Zooo,

proza, en nog wel omtrent het meest ontzagwekkende en schrikbarende onderwerp denkbaar.

Je eindes vind ik erg fijn, die zijn scherp en nietsontziend. Dat komt natuurlijk ook door de zoete regels die in elk stuk, minus het laatste dan, aanwezig zijn. Die zijn noodzakelijk, en vaak nog goed gedoseerd ook. Toch mist er iets, of staat er ergens iets teveel. Dit is m'n instinct dat nu spreekt, ik kan het niet goed concreet maken, geen voorbeelden uit je tekst halen.

Misschien is het soms iets teveel uitleg, te expliciet, dat zou heel goed kunnen. Maar het is dan ook uiterst moeilijk om datgene te zeggen wat je wilt zeggen als het de Liefde betreft.

Bovengaande betreft het meest fragment I, het minst fragment II en gaat enigzins op voor fragment III. Fragment IV laat ik even buiten beschouwing, vanzelfsprekend.

"Mijn liefde is een stinkjaloerse god." !