dinsdag 2 augustus 2011

Over politiek geweld

Het laatste nieuws uit Noorwegen: het lijkt er niet op dat Anders Breivik psychotisch is of het contact met de werkelijkheid heeft verloren. Die constatering roept ongemakkelijke vragen op. Het zou betekenen dat de terreuraanslagen in Oslo en op Utøya niet langer kunnen worden weggezet als onbegrijpelijke daden die zijn ontsproten aan een verwarde geest. Iemand kan, kennelijk, op volkomen rationele wijze tot de conclusie komen dat zijn politieke ideologie een massamoord rechtvaardigt.


Ik moest onmiddellijk denken aan de toespraak van Saint-Just in Dantons Tod (Georg Büchner, 1835):

There appear to be some sensitive ears in this assembly that cannot bear to hear the word ‘blood’. A few general reflections may serve to convince them that we are no more cruel than nature, or the age we live in. Nature follows her own laws, calmly, irresistibly; man is destroyed wherever he comes into conflict with them. A change in the composition of the air, a burst of subterranean fire, a shift in the equilibrium of a mass of water – and an epidemic, a volcanic eruption, a flood kills thousands. And what is the outcome? An insignificant, scarcely perceptible ripple on the surface of the physical world that would almost have disappeared without a trace were it not for the jetsam of corpses. I ask you now: should moral nature be any more considerate in her cataclysmic revolutions than physical nature? Does an idea not have just as much right as a law of physics to destroy whatever stands in its way? An event that transforms the whole of moral nature, in other words mankind: does it not have the right to come about through blood? The world spirit acts through us in the realm of ideas just as, in the physical realm, he acts through floods or volcanoes. What difference does it make whether people die of an epidemic or the revolution? –
The progress of mankind is slow, and can only be reckoned in centuries; behind each forward step loom the graves of generations. To arrive at the simplest discoveries and principles cost the lives of millions who died along the way. Is it not therefore straightforward that, in an age when the pace of history is faster, rather more people should run out of breath?
(vert. John Reddick)

Toen ik dit meesterlijke staaltje retoriek voor het eerst hoorde uit de mond van Alec Newman (National Theatre, Londen, 2010), gingen mijn haren recht overeind staan. Ik was het, tot mijn eigen schrik, eens met Saint-Just. Waarom zouden mensen niet mogen sterven voor een idee? Hoe kan er politieke en morele verandering tot stand komen zonder dat er bloed vloeit? Continenten ontstaan door platentektoniek, een nieuwe maatschappelijke orde ontstaat door geweld: dat is hoe het is, en niet anders. Daar valt niets op af te dingen.

Pas later, toen ik het stuk op papier las, besefte ik waar de redering van Saint-Just mank gaat. Zijn stelling dat morele wetten op hetzelfde niveau staan als natuurwetten gaat niet op. Ik, als mens, deel niets met een vulkaan – niets behalve het naakte feit van ons materiële bestaan. Als de vulkaan uitbarst en ik kom daarbij om, betekent mijn dood hoegenaamd niets. De vulkaan is zich niet bewust van mijn bestaan en is zodoende fundamenteel onverschillig; mijn vernietiging is niet meer dan het toevallige resultaat van natuurkundige wetmatigheden.

Met een ander mens, daarentegen, deel ik in eerste aanleg heel wat: een lichaam, een bewustzijn, bepaalde gebruiken, een taal en een idee over hoe de samenleving eruit zou moeten zien. Met andere woorden: ik heb genoeg redenen om met hem te sympathiseren – om me te laten raken door de gedeelde realiteit van ons bestaan als mens. Morele ‘wetten’ staan niet boven ons, maar tussen ons: in de ideale situatie leiden ze onze ontmoeting in goede banen. Waar de natuur een onwrikbaar samenspel is van verschillende krachten, wordt de moraal bij iedere menselijke ontmoeting bekrachtigd, bevraagd, bijgesteld of ondergraven. De ‘tijdgeest’ is geen snoeiharde wet die als een zwaard van Damocles boven de samenleving hangt, maar eerder het resultaat van een schier eindeloze hoeveelheid menselijke interacties.

Om de mensheid te redden, moeten er eerst een hele hoop mensen over de kling worden gejaagd – dat is de perverse strekking van Saint-Justs betoog. De hoogdravende abstracties (natuurwet, revolutie, moraal, geschiedenis) verhullen waar het uiteindelijk op neerkomt: één man staat tegenover een ander en moet beslissen of hij die ander – iemand die net zo complex, zinnelijk en levendig is als hij – al dan niet zal doden.

Wie het manifest van Anders Breivik leest, krijgt niet de indruk met een gek te maken te hebben. Sterker nog: zijn wereldbeeld is in sommige kringen zeer gangbaar. Breivik verlangt terug naar de overzichtelijke jaren vijftig: een ordentelijke, monoculturele samenleving waarin de vrouw zich als vanouds schikt naar de man. De huidige wantoestanden op het gebied van veiligheid en immigratie wijt hij aan de emancipatiebewegingen van de jaren zestig: het feminisme, het multiculturalisme en het neo-marxisme. De huidige politieke elite hangt die linkse idealen nog steeds aan en doet daarom niets aan de rap voortschrijdende ‘islamisering’ van Europa. Het enige waarin Breivik verschilt van de meeste andere rechts-conservatieven is zijn absolute overtuiging dat het oorlog is – letterlijk. De tijd voor dialoog is voorbij; nu helpen alleen nog kogels en explosieven.

Breiviks manifest wemelt van de redeneringen als die van Saint-Just. Hij beweert bijvoorbeeld dat hij vrouwen wil redden van zowel het doorgeslagen feminisme als de islam, maar spoort zijn medestrijders ook aan om niet te aarzelen met schieten als ze vrouwelijke cultureel marxisten tegenover zich vinden. Voor Breivik zijn die dingen niet met elkaar in tegenspraak. Om de vrouw te redden, moeten er eerst een heleboel vrouwen uit de weg geruimd worden. Om de Westerse beschaving te redden, is het noodzakelijk dat we ons beschaafde gedrag laten varen. Als we in harmonie willen leven, dient er geweld te worden toegepast.

Iemand die een coherent verhaal van 1500 pagina’s kan schrijven over zijn wereldbeeld is niet ontoerekeningsvatbaar. Als er iets mis is met Breivik, dan is het juist zijn overdreven doortimmerde rationalisering. Er is geen moment van twijfel, geen interne tegenspraak. Hij is als de maniak die G.K. Chesterton beschrijft in Orthodoxy (1908): iemand die volledig overtuigd is van zichzelf en wiens uitleg zó compleet en rationeel is, dat men er geen speld tussen kan krijgen. (“Maar er is geen marxistische samenzwering gaande!” “Dat zeggen alleen marxisten.”) Tegenargumenten helpen niets. De enige manier om aan te tonen dat iemand verkeerd zit, is door hem lucht te geven: er is méér dan je politieke fanatisme. Zou je niet een gelukkiger, completer mens zijn als je loskwam van deze ene obsessie? Als je de zon weer op je huid voelde, de buurvrouw in de ogen keek? In Chestertons woorden:
You would break out of this tiny and tawdry theatre in which your own little plot is always being played, and you would find yourself under a freer sky, in a street full of splendid strangers.
Wie door zijn fanatisme de straat vol schitterende vreemdelingen niet meer ziet, verdient ons medelijden. Wie zevenenzeventig van diezelfde schitterende vreemdelingen ombrengt, is vergeten dat het bestaan dat wij delen te allen tijde vóór de politieke duiding van dat bestaan gaat. Uiteindelijk is er daarom maar één gepast antwoord op een terreurdaad als die van Breivik: een totale, stompzinnige, hartstochtelijke bevestiging van de heiligheid van het leven zelf.

Geen opmerkingen: