Terwijl de professor zich over Mille Plateaux buigt, voelt hij een knallende koppijn opkomen.
Verdomme, denkt hij. Dit is het enige uurtje dat ik heb om mijn college voor te bereiden. Hij krijgt zin om Deleuze & Guattari uit het raam te mikken. Buiten staat een groepje studenten te praten: bekertje koffie in de ene hand, een sigaret in de andere. Hun stemmen weerklinken in het steegje tussen de universiteitsgebouwen. De professor vraagt zich af of hij er eentje zou kunnen raken — bij voorkeur degene die lacht als een balkende ezel. Zeshonderdachtentachtig pagina’s postmodern geleuter vol tegen dat ginnegappende smoelwerk, dat zou zijn dag misschien nog kunnen redden.
Met een zucht laat de professor zich in zijn stoel zakken. Het leven zou veel dragelijker zijn als men af en toe eens een student zou kunnen wurgen. Je handen om zo'n achttienjarig keeltje waaruit net nog de zoveelste stupiditeit had geklonken; de verschrikte hoofdjes van de jaargenoten; de paars aanlopende wangetjes van het slachtoffer. Nadien het verslapte lichaam weer in de bank laten zakken, soeverein terugschrijden naar je lessenaar en vervolgens in alle kalmte informeren: “Verder nog vragen?” Een antwoord op de raadselen des bestaans is het natuurlijk niet, maar het zou zeker opluchten.
De professor is in zijn bureaula op zoek naar aspirine als er wordt aangeklopt. Wat nu weer, denkt hij geërgerd.
Toch roept hij “Binnen!”, harder dan zijn bedoeling is. In de deuropening verschijnt een blonde studente. De professor kent haar wel; ze volgt zijn college Postmodernisme.
“Stoor ik?” vraagt de studente.
“Nee hoor. Zeg het maar.”
“Ik kwam mijn essay inleveren.”
“Je essay?”
De studente heeft een stapeltje papier bij zich. Op het eerste vel staat de titel in vette kapitalen: DELEUZES POËZIEBENADERING. Jezus Christus, kreunt de professor inwendig. Hij kijkt naar haar. Leuke, kleine borsten. Schuchter. Grote ogen. Ze doet hem aan De Sades Justine denken.
“Daar ben je dan een week te laat mee.”
Ze bloost.
“Het spijt me ontzettend, maar ik had vorige week zo veel tentamens dat ik uw essay niet af kon krijgen.”
Ze friemelt aan de plooien van haar rokje.
“Je weet dat ik te laat ingeleverd werk niet nakijk.”
Ze bloost niet meer, maar kijkt hem recht aan. Haar ogen zijn ondragelijk blauw.
“Dat weet ik, maar ik hoopte…”
Ze speelt, ziet de professor. Ze heeft dit voorbereid.
“… ik hoopte dat u voor mij een uitzondering zou willen maken.”
Door haar bloesje heen ziet hij haar tepels. Opeens voelt de professor walging opkomen. Wat denkt dat kind wel niet? Die viezerik zal wel gevoelig zijn voor jonge meisjes?
Hij staat op uit zijn stoel en loopt naar haar toe, zogenaamd om haar essay aan te nemen. In plaats daarvan pakt hij de studente bij haar schouder. Ze schrikt.
Zo ver wilde je niet gaan, hè, denkt de professor, en duwt haar tegen de boekenkast. De studente zegt niets. Haar ogen worden nog groter.
“Ik houd eigenlijk helemaal niet van studentes,” fluistert de professor in haar oor. “Die onzekerheid, die dommigheid, die onberekenbare seksualiteit. Ik ben daar allergisch voor.”
Hij laat zijn hand over haar linkerborst glijden. “En zal ik je nog eens een geheimpje vertellen?”
De studente ademt ijl.
“Ik haat Franse postmodernisten. Vooral Deleuze. Die haat ik zo innig, dat ik nog steeds met vreugde terugdenk aan de dag dat hij zich — door kanker verteerd — uit het raam van zijn flat wierp. Begrijp je dat?”
De studente gilt niet. De professor buigt zich naar haar toe en kust haar vol op de mond. Hij duwt zijn tong naar binnen en proeft kauwgom, tabak en lippenstift; ondertussen kneedt hij ruw haar borst. Als hij zich losmaakt, merkt hij dat de lippen van de studente trillen. Bambi, denkt hij. Bambi speelt een spel voor grote mensen.
“Ik accepteer je essay,” zegt hij terwijl hij zijn mond afveegt met zijn mouw. “Maar als je nog één keer te laat bent, geef ik je onmiddellijk een onvoldoende. Is dat duidelijk?”
De studente heeft traanogen.
“Ja,” zegt ze zachtjes. Ze legt haar essay op zijn bureau. “Bedankt, professor.” Ze draait zich om en verlaat de kamer.
De professor trekt zijn boord recht en wandelt naar het raam. Het groepje rokende studenten is verdwenen. Tevreden ploft hij weer in zijn bureaustoel. Eerst staart hij voor zich uit. Dan bladert hij wat door Mille Plateaux, zonder te lezen. Pas tien minuten later beseft hij wat er is veranderd.
Hij heeft geen hoofdpijn meer.
Hij heeft geen hoofdpijn meer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten