Wat doet het gezicht van een schrijver er toe?
Niets, zou mijn antwoord moeten zijn. De Schrijver is dood: zijn naam is niet meer dan een leeg teken dat garant moet staan voor de coherentie van zijn oeuvre. Auteursintentie is irrelevant, biografie is louter hermeneutische ruis, en literatuur is nooit op een eenduidige manier te herleiden tot een geleefd leven.
En toch.
Toch ben ik onbedaard nieuwsgierig naar de man achter de tekst – en dan bedoel ik niet alleen naar zijn ideeën. Ik wil weten hoe hij spreekt, wat voor kleur haar hij heeft, of hij zenuwachtig heen en weer loopt bij het praten, wanneer hij zijn ogen wegdraait: ik wil, kortom, alle kleine onbeduidende dingen weten die in het dagelijks leven in één oogopslag ons beeld van iemand kunnen bepalen.
Waarom? Omdat menselijke interactie op haar meest fundamentele niveau altijd een ontmoeting is van twee lichamen. Omdat tekst óók iets lichamelijks is en daar de sporen van draagt: taal is tastbaar, kent ritme, verlangen en pijn. Omdat, wanneer een literair werk werkelijk fascineert, er een band tussen lezer en tekst ontstaat die net zo innig en complex kan zijn als een echte, fysieke relatie.
Het gezicht hierboven is, naar alle waarschijnlijkheid, het gezicht van Christopher “Kit” Marlowe – dichter, toneelschrijver, spion, atheïst, valsemunter, sodomiet en één van de eerste Engelse tabakliefhebbers, als we de historische bronnen mogen geloven. Ik heb een groot deel van mijn academische carrière aan zijn stukken gewijd en heb, om het maar zo te zeggen, mijn cum laude meesterschap in de kunsten aan hem te danken. Dat heeft geleid tot een verbondenheid die moeilijk uit te leggen valt aan iemand die niet dagen achtereen gebogen heeft gezeten over het werk van één bepaalde auteur, speurend naar lijnen, echo’s en subtiele kleurverschillen. Misschien kun je het nog het beste zien als een intens verlangen om te leren kennen: een verlangen dat soms gefrustreerd wordt, soms vervuld, dat soms wanhopig maakt, soms euforisch – een hechte vriendschap, zo je wilt, met de bijbehorende momenten van vreugde en teleurstelling. Alleen is dit een vriendschap waaraan één essentieel onderdeel altijd zal moeten ontbreken: het lichaam van de ander. Alles wat je hebt zijn de woorden die tot je komen als spookachtige sporen van een voorbij bestaan. Alle ontroerende eigenaardigheden die vrienden zo dierbaar maken – bepaalde manieren van kijken, lachen en bewegen – zijn verloren gegaan in de ondoordringbare mist van de geschiedenis. De levende persoon, de man die ooit schreef, is onherroepelijk verloren – dood.
Maar woorden die van zo veel leven getuigen kunnen niet uiteindelijk verwijzen naar de dood. Ze hebben een lichaam nodig dat vorm geeft aan ons verlangen, een gezicht dat onze blikken beantwoordt. Dit portret uit 1585 geeft mij zo’n gezicht. Als de afgebeelde persoon daadwerkelijk Marlowe is, is hij op het moment van poseren eenentwintig jaar oud – een student nog, in Cambridge. Wanneer ik naar het schilderij kijk, zie ik niet de vuilgebekte rebelse vechtjas die uit veel biografieën naar voren komt. Integendeel: ik vind het portret getuigen van een bijzondere tederheid. De afgebeelde jongen bloost lichtjes. De huid van zijn voorhoofd schijnt door zijn wenkbrauwen heen, en zijn linkeroog lijkt zelfs ietwat scheel te staan. Zijn kaaklijn is ongeschoren, de snor is meer een donkere schaduw en het haar valt in woeste lokken achterover, daarbij de oren geheel bedekkend. Kits blik is verlegen, afwachtend, een tikkeltje uitdagend ook, en om zijn mondhoeken is een vage beginnende glimlach te zien.
Misschien zijn alle details niet meer dan het resultaat van een aandachtige schildersblik, en beeld ik me de intimiteit die ik meen te zien maar in. Desondanks spréékt dit portret voor mij. Het spreekt me aan, net zoals Tamburlaine of Edward II dat doen vanaf het toneel. En net zoals Marlowe’s personages trekt de figuur op het doek me soms aan om me daarna weer buiten te sluiten. Het portret geeft me echter ook iets terug van dat wat verloren is: een directe, lichamelijke connectie met iemand die anders alleen uit tekst zou bestaan.
Eigenlijk doet het er niet eens toe of dit gezicht wel echt dat van Marlowe is. Het is het gezicht dat, voor mij, past. Het is een gezicht wat een zekere menselijkheid geeft aan de verzameling teksten die de naam “Marlowe” dragen. Het getuigt van een specifiek persoon, van een levend, ademend lichaam dat toebehoorde aan iemand die vier eeuwen geleden aanklaagde, voelde, droomde, onderzocht en verlangde. Het rechtvaardigt de woede die ik – nog steeds – voel over zijn gewelddadige dood: hoe haalt iemand het in zijn hoofd om dát rechteroog, dat glanzende bruine oog dat hier nog vol leven is, te doorboren met een dolk? Hoe kun je jezelf er in vredesnaam toe brengen deze persoon te vernietigen als je ook maar één blik in zijn ogen hebt geworpen? Want boven alles zegt het portret me dat: het leven is het waard om voortgezet te worden – in woord, beeld én werkelijkheid.
Stephen Greenblatt schreef ooit dat hij middels literatuur wilde spreken met de doden. Mijn ultieme verlangen is om te bewijzen dat hun leven nooit verloren is gegaan.
Niets, zou mijn antwoord moeten zijn. De Schrijver is dood: zijn naam is niet meer dan een leeg teken dat garant moet staan voor de coherentie van zijn oeuvre. Auteursintentie is irrelevant, biografie is louter hermeneutische ruis, en literatuur is nooit op een eenduidige manier te herleiden tot een geleefd leven.
En toch.
Toch ben ik onbedaard nieuwsgierig naar de man achter de tekst – en dan bedoel ik niet alleen naar zijn ideeën. Ik wil weten hoe hij spreekt, wat voor kleur haar hij heeft, of hij zenuwachtig heen en weer loopt bij het praten, wanneer hij zijn ogen wegdraait: ik wil, kortom, alle kleine onbeduidende dingen weten die in het dagelijks leven in één oogopslag ons beeld van iemand kunnen bepalen.
Waarom? Omdat menselijke interactie op haar meest fundamentele niveau altijd een ontmoeting is van twee lichamen. Omdat tekst óók iets lichamelijks is en daar de sporen van draagt: taal is tastbaar, kent ritme, verlangen en pijn. Omdat, wanneer een literair werk werkelijk fascineert, er een band tussen lezer en tekst ontstaat die net zo innig en complex kan zijn als een echte, fysieke relatie.
Het gezicht hierboven is, naar alle waarschijnlijkheid, het gezicht van Christopher “Kit” Marlowe – dichter, toneelschrijver, spion, atheïst, valsemunter, sodomiet en één van de eerste Engelse tabakliefhebbers, als we de historische bronnen mogen geloven. Ik heb een groot deel van mijn academische carrière aan zijn stukken gewijd en heb, om het maar zo te zeggen, mijn cum laude meesterschap in de kunsten aan hem te danken. Dat heeft geleid tot een verbondenheid die moeilijk uit te leggen valt aan iemand die niet dagen achtereen gebogen heeft gezeten over het werk van één bepaalde auteur, speurend naar lijnen, echo’s en subtiele kleurverschillen. Misschien kun je het nog het beste zien als een intens verlangen om te leren kennen: een verlangen dat soms gefrustreerd wordt, soms vervuld, dat soms wanhopig maakt, soms euforisch – een hechte vriendschap, zo je wilt, met de bijbehorende momenten van vreugde en teleurstelling. Alleen is dit een vriendschap waaraan één essentieel onderdeel altijd zal moeten ontbreken: het lichaam van de ander. Alles wat je hebt zijn de woorden die tot je komen als spookachtige sporen van een voorbij bestaan. Alle ontroerende eigenaardigheden die vrienden zo dierbaar maken – bepaalde manieren van kijken, lachen en bewegen – zijn verloren gegaan in de ondoordringbare mist van de geschiedenis. De levende persoon, de man die ooit schreef, is onherroepelijk verloren – dood.
Maar woorden die van zo veel leven getuigen kunnen niet uiteindelijk verwijzen naar de dood. Ze hebben een lichaam nodig dat vorm geeft aan ons verlangen, een gezicht dat onze blikken beantwoordt. Dit portret uit 1585 geeft mij zo’n gezicht. Als de afgebeelde persoon daadwerkelijk Marlowe is, is hij op het moment van poseren eenentwintig jaar oud – een student nog, in Cambridge. Wanneer ik naar het schilderij kijk, zie ik niet de vuilgebekte rebelse vechtjas die uit veel biografieën naar voren komt. Integendeel: ik vind het portret getuigen van een bijzondere tederheid. De afgebeelde jongen bloost lichtjes. De huid van zijn voorhoofd schijnt door zijn wenkbrauwen heen, en zijn linkeroog lijkt zelfs ietwat scheel te staan. Zijn kaaklijn is ongeschoren, de snor is meer een donkere schaduw en het haar valt in woeste lokken achterover, daarbij de oren geheel bedekkend. Kits blik is verlegen, afwachtend, een tikkeltje uitdagend ook, en om zijn mondhoeken is een vage beginnende glimlach te zien.
Misschien zijn alle details niet meer dan het resultaat van een aandachtige schildersblik, en beeld ik me de intimiteit die ik meen te zien maar in. Desondanks spréékt dit portret voor mij. Het spreekt me aan, net zoals Tamburlaine of Edward II dat doen vanaf het toneel. En net zoals Marlowe’s personages trekt de figuur op het doek me soms aan om me daarna weer buiten te sluiten. Het portret geeft me echter ook iets terug van dat wat verloren is: een directe, lichamelijke connectie met iemand die anders alleen uit tekst zou bestaan.
Eigenlijk doet het er niet eens toe of dit gezicht wel echt dat van Marlowe is. Het is het gezicht dat, voor mij, past. Het is een gezicht wat een zekere menselijkheid geeft aan de verzameling teksten die de naam “Marlowe” dragen. Het getuigt van een specifiek persoon, van een levend, ademend lichaam dat toebehoorde aan iemand die vier eeuwen geleden aanklaagde, voelde, droomde, onderzocht en verlangde. Het rechtvaardigt de woede die ik – nog steeds – voel over zijn gewelddadige dood: hoe haalt iemand het in zijn hoofd om dát rechteroog, dat glanzende bruine oog dat hier nog vol leven is, te doorboren met een dolk? Hoe kun je jezelf er in vredesnaam toe brengen deze persoon te vernietigen als je ook maar één blik in zijn ogen hebt geworpen? Want boven alles zegt het portret me dat: het leven is het waard om voortgezet te worden – in woord, beeld én werkelijkheid.
Stephen Greenblatt schreef ooit dat hij middels literatuur wilde spreken met de doden. Mijn ultieme verlangen is om te bewijzen dat hun leven nooit verloren is gegaan.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten