Ben ik de enige die jeuk krijgt van het werk van Tomas Tranströmer?
"Met de bekroning van het ingekeerde, nauwelijks politiek te noemen werk van de Zweed Tomas Tranströmer toont de Zweedse Academie wel degelijk de moed te hebben al dit soort buiten-literair gezanik aan zijn laars te lappen," jubelt Erik Menkveld in de Volkskrant. Eindelijk, weg met de boze buitenwereld! De letterheren zijn weer onder elkaar.
Bij hetzelfde artikel staat het gedicht Schubertiana 1, in de vertaling van Bernlef:
In het avondduister op een plek buiten New York,
een uitzichtpunt van waaruit je met één enkele blik
de huizen van acht miljoen mensen kunt omvatten.
De reuzenstad daarginds is een langgerekte flikkerende sneeuwbui,
een spiraalnevel van opzij.
In het binnenste van de nevel worden koffiekopjes over
de toonbank geschoven, bedelen etalages bij voorbijgangers,
een krioelen van schoenen dat geen enkel spoor achterlaat.
De klimmende brandtrappen, de liftdeuren die dichtglijden,
achter deuren met veiligheidssloten een voortdurende stortvloed
van stemmen.
Ineengezakte lichamen dutten in subwaywagons, de
voortstormende catacomben.
Ik weet ook buiten alle statistiek om dat op ditzelfde moment
ergens daarginds in een kamer Schubert gespeeld wordt en dat
voor iemand die tonen werkelijker zijn dan al het andere.
Een schoolvoorbeeld van een verwonderingsgedicht, lijkt me: de spreker (afgezonderd, passief, observerend) kijkt uit over New York, wordt overweldigd door de grootte van zo'n wervelende "reuzenstad" en raakt via de totaliteit van het alledaagse (koffiekopjes, etalages, winkelpubliek, brandtrappen, etc.) aan het mystieke. Die werkelijkheid achter de werkelijkheid vormt uiteindelijk geen bedreiging, want gelukkig is er altijd nog ergens die ene persoon voor wie een fijn stukje klassieke muziek werkelijker is dan de rest. Schubert als de ultieme stoplap. O joy.
Een betere poëziecriticus dan ik schreef ooit: "Een verwonderingsgedicht is een ideologische fetisj bij de zogenaamde noodzakelijkheid van de marktmaatschappij, een poëtisch 'bewijs' hiervan, of liever gezegd: een quasi-spiritueel supplement bij de noodzakelijkheid, een soort happy pill om haar draaglijk te maken." De epifanie verwordt in zo'n gedicht in feite tot een extatische aanvaarding van het kapitalisme. Laat de espressootjes over de toonbank glijden bij de Starbucks, laat de koopjesjagers voorbij de etalages van Macy's trekken — zolang er af en toe maar iemand een riedeltje Schubert consumeert.
Met een niet-politieke keuze bedoelt de literaire goegemeente dat het Nobelprijscomité kiest voor iemand die de status quo onderschrijft, of beter nog: voor iemand die ons in staat stelt weer van het systeem te genieten door het op te frissen met mooie metaforen. Er komt geen revolutie, mensen, we hoeven de straat niet op. We kunnen gewoon lekker wegzinken in onze fauteuil, met een goed glas wijn in de hand en een bundel van Tomas Tranströmer (Nobelprijs-winnaar 2011) op onze schoot.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten