Assassins, door Jamie Lloyd. Gezien 25 februari 2015, Menier Chocolate Factory, Londen.
●●●●●
Musical is geen politiek genre. Een lach en een traan, een leuke avond uit: verder reikt de ambitie meestal niet. De emoties worden in hapklare brokken geserveerd, de liedjes zijn makkelijk mee te neuriën en meer dan melodrama hoef je niet te verwachten. De enige politieke boodschap is impliciet: niets aan de hand, beste bezoeker – leun lekker achterover en laat u vermaken.
Hoe anders is Stephen Sondheims Assassins (1990). Bij een vervallen schiettent verzamelt zich, op aandringen van een mysterieuze uitbater, een gezelschap van zeven mannen en twee vrouwen. Er zit een ijdele acteur bij en een Poolse anarchist; een Italiaan met buikpijn en een aan fastfood verslaafde huisvrouw; een sektelid en een advocaat met grootheidswaanzin; iemand met een obsessie voor Jodie Foster en iemand in een kerstmanpak. De negen hebben maar één ding gemeen: ieder van hen heeft ooit geprobeerd om een Amerikaanse president te vermoorden. Vier van hen slaagden daarin; de anderen niet.
Assassins is geen gemakkelijke kost. Enige historische voorkennis is een vereiste. Als je geen idee hebt wie Big Bill was, of Emma Goldman, of Charles Manson, dan gaat er een hoop langs je heen. We schieten dwars door de Amerikaanse geschiedenis en de eenheid van tijd en plaats is ver te zoeken. John Wilkes Booth, de moordenaar van Abraham Lincoln, verschijnt bijvoorbeeld aan Lee Harvey Oswald; Charles Guiteau, die in 1901 James Garfield doodschoot, geeft schietles aan Sarah Jane Moore, die vierenzeventig jaar later een aanslag op Gerald Ford pleegde. Dat het stuk ook nog eens allesbehalve een feelgoodmusical is, maakt de drempel voor de gemiddelde bezoeker misschien wel te hoog.
Slechte zaak? Nee, bepaald niet. Voor het gemiddeld soort mensen is MAMMA MIA! uitgevonden. Een musical als Assassins selecteert zijn eigen publiek, en dat is maar goed ook. In de interpretatie van regisseur Jamie Lloyd is het stuk namelijk een gitzwarte aanval op de Amerikaanse droom geworden. Wat gebeurt er met de mensen die hun ambities niet op eigen kracht kunnen verwezenlijken? Met de schoolverlaters, de fabrieksarbeiders, de straatarme immigranten, de zieken, de drugsverslaafden, de psychisch gestoorden? Hoeveel mensen belanden er in de goot bij het gevecht om maatschappelijke status, om bestaansrecht, om liefde en respect? Kunnen we ons wel zo makkelijk distantiëren van de gekken die met pistolen zwaaien als dat wapen hun enige middel is om gehoord te worden?
De intieme zaal van de Menier Chocolate Factory is voor deze productie veranderd in een horrorkermis. Het publiek komt binnen via de gapende muil van een killer clown, een slinger van flikkerende gloeilampjes geeft een ziekelijk geel licht af en een eenzaam botsautootje maakt een verloren indruk. Aan weerszijden van het podium staan twee grote lichtbakken met de woorden "HIT" en "MISS", die telkens met veel lawaai oplichten om het resultaat van een moordpoging weer te geven. De verlopen schminck van de geheimzinnige uitbater van de schiettent is blauw, rood en wit: de kleuren van de Amerikaanse vlag. De aankleding is volkomen consistent en meedogenloos effectief.
De vorm is vaak opvallend luchtig, tegen het respectloze aan. Als Oswald JFK neerschiet, wordt hij bedolven onder bloedrode confetti: een lugubere verwijzing naar de ticker-tape parade. Giuseppe Zangara – hij mikte op FDR maar raakte de burgemeester van Chicago – wordt onder vrolijke marsmuziek naar de elektrische stoel gebracht ("How I Saved Roosevelt"), en Charles Guiteau beklimt al zingend de trap naar de strop waar hij even later ongemakkelijk lang aan zal bungelen ("The Ballad of Guiteau"). Je zou zelfs kunnen zeggen dat het genre zelf, de musical, totaal ongeschikt is voor het onderwerp – maar juist door dat schrille contrast komt de cocktail van mislukking, woede en frustratie nog harder aan.
De acteurs leveren bijna allemaal topprestaties. Andy Nyman laat het manische optimisme van Guiteau op een prachtige manier dreigend worden, Stewart Clarke zindert als Zangara en de twee monologen van Mike McShane als Nixon-hater Samuel Byck zorgen voor koude rillingen. Ook Melle Stewart weet als Emma Goldman met een paar zinnen een compleet personage neer te zetten. Alleen comédienne Catherine Tate vliegt met haar kluchtige benadering van Sarah Jane Moore soms uit de bocht – wat maar weer eens bewijst dat je een goede grap nooit hoeft te onderstrepen. Het is een kleine smet op een verder glasheldere regie.
Lloyds versie van Assassins raakt een open zenuw, nu meer dan ooit. Wat doen we met de mensen die, om wat voor reden dan ook, onder sociale hoogspanning staan? Ik moest denken aan Amedy Coulibaly, een van de daders van de aanslagen in Parijs afgelopen januari. Kind van immigranten uit Mali, werkloos, psychische problemen, gewelddadige politiek-religieuze ideeën: verdacht veel overeenkomsten met de moordenaars uit Assassins. Nu de machthebbers steeds beter beveiligd worden, richten mensen als Coulibaly hun woede op makkelijker doelwitten: mensen als jij en ik die even snel naar de supermarkt gaan. Bij gebrek aan bliksemafleiders zijn we allemaal vogelvrij.
De boodschap van Sondheim en zijn librettist John Weidman is een ongemakkelijke. We moeten ons inleven in de moordenaars onder ons. We moeten achterhalen in hoeverre onze 'vrije' en 'open' samenlevingen hun eigen duistere spiegelbeeld oproepen. Wat drijft gewone mensen ertoe de wapens op te nemen? Als we die vraag weigeren te stellen – als we moordenaars blijven wegzetten als monsterlijke eenlingen met wie we hoegenaamd niets van doen hebben – rest ons niets dan machteloos verdriet.
"Something Just Broke", zingt het ensemble na de moord op Kennedy. Alles kan, zomaar ineens, stuk.
"Something Just Broke", zingt het ensemble na de moord op Kennedy. Alles kan, zomaar ineens, stuk.
.jpg)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten