Toen Brokeback Mountain nog in de bioscopen draaide, heb ik mijn docent Peter Verstraten op een borrel eens ietwat geërgerd horen opmerken dat de film “helemaal geen western is”. Ik heb het vermoeden dat de ergernis die ik destijds meende te bespeuren niet de teloorgang van zijn ‘geliefde’ genre betrof, maar in plaats daarvan werd veroorzaakt door het algehele onvermogen van filmcritici om zelfs maar een genre te herkennen. Brokeback Mountain werd namelijk (nagenoeg zonder uitzondering) besproken als een gay western: de film zou gaan over homoseksuele cowboys. Nu weet Verstraten waar hij het over heeft (zijn proefschrift is een studie naar mannelijkheid in westerns), en na een vluchtige blik op de film kunnen we inderdaad constateren dat er nogal wat klassieke genrekenmerken ontbreken. Geen revolverhelden, in het zwart geklede slechteriken, shoot-outs of postkoetsen die worden overvallen door roodhuiden. De enige westernclichés die de film biedt zijn de welbekende hoeden en de scherpe tegenstelling tussen wildernis en beschaving, maar deze verwijzingen zijn zeker niet doorslaggevend. De redenering ‘Stetsons? Aha, een cowboyfilm!’ gaat, helaas voor de recensenten, in dit geval niet op. Strikt gesproken zijn er in Brokeback Mountain niet eens ‘cowboys’ te vinden – Jack Twist en Ennis Del Mar zijn schaapherders. Hoewel dat klinkt als muggenzifterij, zorgt de simpele waarneming dat we hier met shepherds te maken hebben ervoor dat er een veld van interteksten ontstaat wat misschien nog wel interessanter is dan die enkele verwijzing naar de western. Zowel het korte verhaal van Annie Proulx als de film van Ang Lee spelen namelijk met de aloude conventies van de pastorale poëzie.
In pastorale poëzie wordt, in contrast met de corrupte wereld van de stad, een geïdealiseerd beeld geschetst van het onschuldige landleven. Temidden van de weidse natuur beleven schaapherders en nimfen speelse avonturen en kunnen ze zich naar hartelust overgeven aan allerlei sensuele pleziertjes, wat meestal neerkomt op het achternazitten van mooie meiden – of, in het geval van bijvoorbeeld Theocritus’ Idyllen en Vergilius’ Bucolica, mooie jongens. In Vergilius' tweede Ecloge is de herder Corydon wanhopig opzoek naar zijn geliefde Alexis, die hem heeft afgewezen. Corydon gooit werkelijk alles in de strijd om aan te tonen dat hij wel een goede partij is: hij bezit enorme kuddes schapen, zingt als de beste, ziet er zeker niet onaardig uit en heeft allerlei prachtige geschenken in de aanbieding. Helaas voor hem blijft de blonde jongen onbereikbaar en rest hem niets dan zijn ongeluk te beklagen, hopend op een “nieuwe Alexis”.
Net als in pastorale poëzie is de ongerepte wildernis in Brokeback Mountain de utopische plaats waar onvermoede verlangens aan de oppervlakte kunnen komen. De bossen, bergen en rivieren van Wyoming bieden een ontsnapping aan het stadse leven, waar verstikkende sociale conventies Jack en Ennis dwingen zich aan te passen aan strikt heteroseksuele modellen van mannelijkheid. “Love is a force of nature”, aldus de tagline van de film: een natuurkracht die plotseling toe kan slaan, als een bliksemschicht of een hagelbui. Jack en Ennis weten niet wat hen overkomt – hun lichamen blijken verlangens te hebben die henzelf overstijgen. “Brokeback got us good, don’t it?” zal Jack later zeggen. Niet zij zijn de oorzaak, maar de berg. Alleen op Brokeback Mountain kunnen ze ongestraft toegeven aan deze natuurkracht – seks hebben, elkaar achternazitten, stoeien. Dat idyllische leventje gaat scheurtjes vertonen op het moment dat de beschaving, in de vorm van voorman Joe Aguirre gewapend met een verrekijker, haar invloed weer voelbaar maakt. Het paradijs is gecorrumpeerd. Jack en Ennis moeten uit elkaar, vormen gezinnetjes en zien elkaar alleen nog als “fishing buddies”. Net als Corydon hoopt Jack Ennis nog te verleiden, met fantasieën over gezamenlijke hertenjachten of een ranch voor hen alleen, maar de angst voor de wraak van de gemeenschap zit te diep bij Ennis. De pastorale idylle is voorgoed verloren.
Wat is nu het genre van Brokeback Mountain? Als het geen western is, dan misschien zoiets als ‘pastorale cinema’? Die vraag laat zich inmiddels goed beantwoorden. De film gaat over personages in een verstikkend sociaal milieu die gedwongen zijn hun onbetamelijke verlangens te onderdrukken. Jack en Ennis zitten herhaaldelijk ook visueel ‘gevangen’ in benauwende ruimtes: in de reflectie van een achteruitkijkspiegel, in aftandse stacaravans, kneuterige interieurs of achter autoruiten. Brokeback Mountain is daarom in de eerste plaats een melodrama – maar wel een melodrama dat de onuitspreekbare verlangens van zijn personages vormgeeft volgens de oeroude conventies van het paradijs uit de herdersdichten.
In pastorale poëzie wordt, in contrast met de corrupte wereld van de stad, een geïdealiseerd beeld geschetst van het onschuldige landleven. Temidden van de weidse natuur beleven schaapherders en nimfen speelse avonturen en kunnen ze zich naar hartelust overgeven aan allerlei sensuele pleziertjes, wat meestal neerkomt op het achternazitten van mooie meiden – of, in het geval van bijvoorbeeld Theocritus’ Idyllen en Vergilius’ Bucolica, mooie jongens. In Vergilius' tweede Ecloge is de herder Corydon wanhopig opzoek naar zijn geliefde Alexis, die hem heeft afgewezen. Corydon gooit werkelijk alles in de strijd om aan te tonen dat hij wel een goede partij is: hij bezit enorme kuddes schapen, zingt als de beste, ziet er zeker niet onaardig uit en heeft allerlei prachtige geschenken in de aanbieding. Helaas voor hem blijft de blonde jongen onbereikbaar en rest hem niets dan zijn ongeluk te beklagen, hopend op een “nieuwe Alexis”.
Net als in pastorale poëzie is de ongerepte wildernis in Brokeback Mountain de utopische plaats waar onvermoede verlangens aan de oppervlakte kunnen komen. De bossen, bergen en rivieren van Wyoming bieden een ontsnapping aan het stadse leven, waar verstikkende sociale conventies Jack en Ennis dwingen zich aan te passen aan strikt heteroseksuele modellen van mannelijkheid. “Love is a force of nature”, aldus de tagline van de film: een natuurkracht die plotseling toe kan slaan, als een bliksemschicht of een hagelbui. Jack en Ennis weten niet wat hen overkomt – hun lichamen blijken verlangens te hebben die henzelf overstijgen. “Brokeback got us good, don’t it?” zal Jack later zeggen. Niet zij zijn de oorzaak, maar de berg. Alleen op Brokeback Mountain kunnen ze ongestraft toegeven aan deze natuurkracht – seks hebben, elkaar achternazitten, stoeien. Dat idyllische leventje gaat scheurtjes vertonen op het moment dat de beschaving, in de vorm van voorman Joe Aguirre gewapend met een verrekijker, haar invloed weer voelbaar maakt. Het paradijs is gecorrumpeerd. Jack en Ennis moeten uit elkaar, vormen gezinnetjes en zien elkaar alleen nog als “fishing buddies”. Net als Corydon hoopt Jack Ennis nog te verleiden, met fantasieën over gezamenlijke hertenjachten of een ranch voor hen alleen, maar de angst voor de wraak van de gemeenschap zit te diep bij Ennis. De pastorale idylle is voorgoed verloren.
Wat is nu het genre van Brokeback Mountain? Als het geen western is, dan misschien zoiets als ‘pastorale cinema’? Die vraag laat zich inmiddels goed beantwoorden. De film gaat over personages in een verstikkend sociaal milieu die gedwongen zijn hun onbetamelijke verlangens te onderdrukken. Jack en Ennis zitten herhaaldelijk ook visueel ‘gevangen’ in benauwende ruimtes: in de reflectie van een achteruitkijkspiegel, in aftandse stacaravans, kneuterige interieurs of achter autoruiten. Brokeback Mountain is daarom in de eerste plaats een melodrama – maar wel een melodrama dat de onuitspreekbare verlangens van zijn personages vormgeeft volgens de oeroude conventies van het paradijs uit de herdersdichten.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten