dinsdag 31 maart 2009

Shakespeare, Marx en de kredietcrisis


In deze dagen van crisis blijkt op bijzonder pijnlijke wijze dat er maar weinig wordt gelezen in financiële kringen. Ruim vierhonderd jaar vóór werktijdverkorting, miljardeninjecties en bonussen wees William Shakespeare namelijk al op de mogelijk rampzalige gevolgen van ondeugdelijke kredietverstrekking. Zijn waarschuwing tegen de verraderlijke glans van de rijkdom heeft, zeker in onze hyper-kapitalistische wereld, nog niets aan kracht ingeboet.

In het stuk Timon of Athens (1607) gaat de vrijgevige Griekse edelman Timon allerlei leningen aan om zijn nobele vrienden te kunnen blijven fêteren. Wanneer de bodem van zijn kredietwaardigheid echter in zicht komt en de schuldeisers zich opdringen, laten die zogenaamde vrienden Timon vallen als een baksteen. Onthutst en verbitterd leest hij de aasgieren nog eenmaal de les door hen een maaltijd van stenen voor te schotelen; daarna verlaat hij zonder enig bezit de stad, vastbesloten om de corrupte beschaving voorgoed achter zich te laten.

Timon houdt zich in de wildernis in leven door naar wortels te graven. Op het moment dat hij daarbij op een verborgen schat stuit, volgen twee even schitterende als onthutsende tirades:
[...] What is here?
Gold? yellow, glittering, precious gold? No, gods,
I am no idle votarist: roots, you clear heavens!
Thus much of this will make black white, foul fair,
Wrong right, base noble, old young, coward valiant.
Ha, you gods! why this? what this, you gods? Why, this
Will lug your priests and servants from your sides,
Pluck stout men's pillows from below their heads:
This yellow slave
Will knit and break religions, bless the accursed,
Make the hoar leprosy adored, place thieves
And give them title, knee and approbation
With senators on the bench: this is it
That makes the wappen'd widow wed again;
She, whom the spital-house and ulcerous sores
Would cast the gorge at, this embalms and spices
To the April day again. Come, damned earth,
Thou common whore of mankind, that put'st odds
Among the route of nations, I will make thee
Do thy right nature. [...]
(4.3.25-44)
O thou sweet king-killer, and dear divorce
‘Twixt natural son and sire! thou bright defiler
Of Hymen’s purest bed! thou valiant Mars!
Thou ever young, fresh, loved and delicate wooer,
Whose blush doth thaw the consecrated snow
That lies on Dian’s lap! Thou visible God!
That solder’st close impossibilities,
And makest them kiss! That speak’st with every tongue,
To every purpose! O thou touch of hearts!
Think, thy slave man rebels, and by thy virtue
Set them into confounding odds, that beasts
May have the world in empire!
(4.3.384-95)

In zijn Economisch-filosofische geschriften (1844) gebruikt Karl Marx bovenstaande passages om een haarscherpe analyse van het fenomeen geld te geven. Timon beschrijft dat goud de eigenschap heeft om bepaalde zaken om te vormen tot hun tegengestelde: zwart wordt wit, goed wordt fout, lafheid wordt moed. Sociale hiërarchie verdwijnt, en de wereld kent geen orde meer. Zelfs oude besjes vol gezwellen zien er weer uit als groene lenteblaadjes. Marx stelt dat Shakespeare hier op een cruciaal aspect van geld stuit: als universeel ruilmiddel kan het ieder willekeurig object "vertalen" naar een ander object. Waarde, het subjectieve belang dat men aan zo'n object hecht, is dankzij geld immers vast te stellen: een simpel getal drukt alles uit. Onvergelijkbare zaken – van alledaagse goederen tot mensenlevens en seksuele diensten – worden door een prijskaartje ineens wėl vergelijkbaar.

Volgens Marx is geld een medium, een materiële "drager" van menselijk vermogen; als ik maar genoeg geld bezit, heb ik vrijelijk toegang tot alles wat anderen voor mij kunnen produceren. Arbeid, creativiteit, genot, denkkracht: alles wat mijn eigen lichaam niet kan opbrengen, kan ik simpelweg kopen. Het maakt niet uit wie ik ben, of waar ik voor sta: geld spreekt namens iedereen en kan worden aangewend tot ieder doel. Het is niet voor niets dat Shakespeare zoveel seksueel geladen taal gebruikt in de geciteerde passages. Geld is letterlijk de "algemene hoer van de mensheid": het laat zich zonder uitzondering door iedereen gebruiken.

Voor zowel Marx als Shakespeares Timon is geld het summum van perversiteit: het kent geen intrinsieke normen, geen vaste maat of orde. Toch is geld óók iets anders, namelijk een "zichtbare God." Als universeel ruilmiddel verbeeldt geld immers het menselijk potentieel in zijn totaliteit – al onze creatieve en vernietigende energie is erin samengebald. Het beangstigende is echter dat ons potentieel niet langer aan onze lichamen toebehoort: we zijn ervan vervreemd. We kunnen niets anders doen dan toekijken terwijl "ons" kapitaal in grote onbeheersbare stromen over de wereld raast, goed in kwaad veranderend en vice versa. Timon of Athens maakt expliciet wat beurshandelaren, ministers en bankiers nu pas beginnen te beseffen: namelijk, dat geld zich angstaanjagend weinig aantrekt van de grenzen van de menselijkheid.

2 opmerkingen:

Snel© zei

Wederom een fijn stuk, ik reageer niet altijd maar lees met graagte je gedachtenissen.


Toch vraag ik me deze keer af of je niet te gemakkelijk zoveel vermogen legt in 'geld' (no pun intended).

Ik bedoel te zeggen: geld als universeel middel, als grote gemene deler, is natuurlijk gewoon een abstractie. Gooi iemand op een onbewoond eiland met een zak vol geld en hij zal er niet erg vrolijk van worden, geld is onlosmakelijk verbonden met 'de maatschappij', en 'de maatschappij' is niet in geld uit te drukken of weer te geven.

Wat ik dus eigenlijk eigenlijk wil zeggen: Als geld de grote gemene deler is (wederom no pun here) wie of wat is dan de noemer?

Wij, de mens.

Stefan zei

Wouter! Dank. Ik snap je verlangen om de menselijke maat vast te houden, maar het vreemde is nu juist dat de moderne wereld beheerst wordt door een abstractie die zo overweldigend is geworden dat geen mens er nog controle over heeft: geldbewegingen zijn met geen mogelijkheid meer in te dammen. Wat is begonnen als een uitdrukking van menselijk vermogen fnuikt nu juist vaak het individuele potentieel (denk aan ontslag, exploitatie, armoede). Buiten het kapitalistische systeem ontstaat natuurlijk een heel andere situatie, maar dat wil niet zeggen dat je geld af kunt doen als een fictie waar we eventueel weer vanaf zouden kunnen. Daarvoor zijn de onmenselijke gevolgen van financiële perversie te reëel.