zondag 27 april 2014

Tot snel

Het is jouw verjaardag. We staan op een terrasje bij een café, en jij schuift van het ene groepje naar het andere.

‘Het is een beetje een allegaartje,’ zeg je tegen een meisje dat net aankomt. Je brengt het als een verontschuldiging.

Ik vraag je broer of het niet vervelend is om jou in huis te hebben. Hij (rechtstreeks van een kantoor waar ze niet aan Casual Friday doen; een type dat ik zou moeten haten, maar hij is je broer en hij heeft een gezicht op Dordrecht aan de muur hangen; onder dat yuppenoverhemd klopt een hart vol nostalgie; ik kan het bijna horen) zegt dat het familie is, dus dan doe je dat. Hij slaapt veel bij zijn vriendin, die Pfeiffer heeft. 

We praten over roken. Ikzelf rook niet, maar ik heb altijd een vage bewondering gehad voor rokers. Jaloers op de achteloosheid waarmee ze op dit soort feestjes hangen, waarschijnlijk. Je broer vertelt hoe hij al rokend directeur zus-en-zo van de bank heeft ingepakt. Het gaat er niet om hoe goed je bent maar of ze je een mooie vent vinden, en ze vinden je een mooie vent als ze samen met jou een peuk kunnen doen. Ziedaar de financiële crisis in een notendop, maar het dondert niet want het is je broer.

Als hij niet meegaat naar jullie huis, voel ik een zweem van teleurstelling. In een pizzeria op de route bestel ik samen met een paar anderen ons avondeten. Terwijl we wachten kijkt een van je vrienden op zijn smartphone en vraagt of we het voetbal volgen.

‘Ik weet dat Ajax kampioen gaat worden, maar daarmee houdt het op,’ zeg ik.

Hij antwoordt dat de oud-trainer van Barcelona is overleden. Ik maak een slechte grap die het gesprek onmiddellijk doodslaat. Dat je losser wordt van alcohol is niet alleen een zegen, maar wat moet ik anders? Je vrienden zijn niet bijster interessant. Ze zijn niet eens bijzonder knap, of geslaagd. Waarom ik denk dat ze dat zouden moeten zijn weet ik niet.

In het huis van je broer zit iedereen rond de eettafel, koetjes en kalfjes babbelend. Samen met de enige andere persoon die ik ken verorber ik mijn pizza aan de toog in de keuken. We drinken bier en belanden in een discussie over het verband tussen de kerkvaders, de mystieke islam en Jacques Derrida – het soort conversatie waarbij alcohol wél helpt, want anders zou ik nooit de moed hebben om mezelf als expert voor te doen. Het is hoe dan ook te hoog gegrepen voor je vrienden, die ons gesprek afluisteren en zich afvragen van welke planeet we komen.

Drie flesjes Heineken later bekijken we de drank in de wereldbol van je broer en keuren de boel af – J.P. Chenet met een Dirk III-sticker, niet eens een goedkope whisky. Vol bravoure (kijk ons, de kenners!) komen we verhaal halen.

‘Ja, maar mijn broer kan dat helemaal niet,’ zeg je. Daarmee bedoel je: hij heeft geen smaak, hij kan niet genieten. Ik glimlach, maar voel de knoop van mijn verdriet strakker worden. Je broer heeft een baan, een huis, een vriendin. Jij niet.

Iedereen wil uit, maar zoals dat gaat in groepen wordt er geen besluit genomen. Ik wil naar huis. Ik heb er genoeg van. Ik kijk naar je, en je bent precies zoals je altijd was. T-shirt, spijkerbroek, gympen. Dertig ben je. Alles wat je aan de afgelopen achttien jaar hebt overgehouden zijn een paar extra lijnen in je gezicht. Ze maken je zelfs knapper. Ik registreer het zonder enige lading nu; mijn herinneringen geven er geen betekenis meer aan.

‘Ga je mee?’ vraag je.

‘Ik beslis buiten,’ lieg ik.

Je gaat voor de zoveelste keer de groepjes af. Je bent vrolijk, net zo vrolijk als je al de hele avond bent. Je scheert over het oppervlak van je feestje. Het laat me koud.

Je vrienden stommelen de trap af. Ik struikel bijna (verdomde drank). Als we buiten staan, twijfel ik nog even voor de bühne. Van mijn enige andere vriend hoeft het godzijdank ook niet zo. Misschien kunnen we nog een normale trein halen.

‘Als ik nu meega naar een café, kom ik er niet meer uit,’ roep ik. Twee van jouw vrienden lallen dat we gewoon mee moeten gaan. Ik krijg niet de indruk dat ze mij een leuke gesprekspartner vinden, en dat is geheel wederzijds. Ik doe alsof ik me gevleid voel, maar bedenk me niet.

Je vindt het jammer dat we gaan. Ik krijg een mannenafscheid: een handdruk en halfslachtige omhelzing. Er zit eelt op je handpalmen. Je ogen glanzen.

‘Tot snel,’ zeg ik. Als we weglopen, roepen je vrienden ons na: ‘Dàhàg!’ Het klinkt vijandig.

Mijn enige vriend en ik wandelen door een donker park naar het station.

‘Ik hoop dat we het overleven,’ zegt hij als hij een man met een hoodie onder een lantaarnpaal ziet staan.

Bijna lopen we verkeerd; ik moet op Google Maps kijken om de weg te vinden. Op Amsterdam Lelylaan weet ik het zeker. Ik heb geen enkel verlangen meer.

Geen opmerkingen: