maandag 8 mei 2017

Filmdagboek (64)


The Wizard of Oz (Victor Fleming, 1939)

●●●●○

The Wizard of Oz mag dan een onzinfilm voor de allerjongsten zijn, het is wel de slimste onzinfilm ooit. Zo zijn alle scènes in Kansas in zwart-wit geschoten; zodra Dorothy door toedoen van een tornado in het fantasieland Oz belandt, is alles ineens in kleur. In Oz moet ze het opnemen tegen kakelende groene heksen en vliegende apen. Moraal van het verhaal: oost, west, thuis best. De dubbelrollen (de heks is ook Dorothy's gemene buurvrouw; Scarecrow, Tin Man en The Cowardly Lion werken in Kansas op de boerderij) maken de film net even gelaagder dan de gemiddelde kinderfilm.


Pocahontas (Mike Gabriel & Eric Goldberg, 1995)

●●●○○

Pocahontas had in 1995 één groot nadeel: de timing. Na zo'n volmaakte Disneyfilm als The Lion King valt iedere opvolger tegen, en de kritieken waren dan ook zuinig. Er valt inderdaad van alles af te dingen op de verbeelding van de indianen (te sentimenteel) en het gladstrijken van de geschiedenis (Pocahontas was tien, deed het niet met John Smith en stierf in Engeland aan de pokken). Toch zit de film knap in elkaar, visueel én als musical. Door de Engelsen en de indianen voortdurend elkaars spiegelbeeld te laten zijn, krijgt de film iets tragisch: racisme is eerder onbegrip dan onversneden haat.


The Private Life of Sherlock Holmes (Billy Wilder, 1970)

●●○○○

Ik heb de BBC-versie van Sherlock Holmes (die met Benedict Cumberbatch) nooit begrepen. Goed acteur hoor, daar niet van, maar waarom hebben ze alles in godsnaam naar nu verplaatst? En dan die nerveuze montage en dat ironische toontje – nee, geef mijn portie maar aan Fikkie. Dat Sherlock-schrijver Mark Gatiss The Private Life of Sherlock Holmes zijn favoriete film noemt, verklaart een hoop. Grappen van het kaliber 'nee hoor ik ben geen homo' en 'oe-la-la-tieten', circusdwergen en andere oubolligheid: hier valt weinig te redden. Wel leuk: Christopher Lee als Sherlocks humorloze broer, Mycroft.

Geen opmerkingen: