donderdag 29 mei 2014

Verveling


Cruel ennui ! ce ne peut être que par oubli que les auteurs
des peines de l’enfer ne t’y ont point placé.

—Casanova

Ooit deed ik een poging om te beschrijven waar voor mij de aantrekkingskracht van Patricia Highsmiths The Talented Mr. Ripley in school. Wat ik herkende in Tom Ripley was de onbeholpen frustratie die voortvloeit uit verveling — het onvermogen om je verbonden te voelen met wat dan ook.

Later bedacht ik dat het thema verveling bij veel van mijn favoriete auteurs een grote rol speelt. Het volledige werk van zowel Reve als Huysmans, bijvoorbeeld, getuigt van een worsteling met het feit dat het bestaan nagenoeg nooit interessant genoeg is om aan onze verlangens te voldoen. In De avonden is Frits van Egters geobsedeerd door klokken: niet omdat hij het zo druk heeft, maar omdat hij wil weten hoeveel uren hij in vredesnaam nog moet verdoen voordat de dag weer over is. Hij weet zich gewoonweg geen raad met zijn tijd. In À Rebours gaat de dandy Des Esseintes op zoek naar steeds verfijndere geneugtes, maar er is uiteindelijk geen smaak, geur of aanblik die hem tevreden kan stellen. Zijn verveling is zo alomvattend dat ontsnapping onmogelijk is.

Wat is verveling eigenlijk? En waarom word ik er — kennelijk — door aangetrokken in literatuur?

Om met die eerste vraag te beginnen: Lars Svendsen geeft een prachtig overzicht van het probleem in A Philosophy of Boredom (2005). Hij onderscheidt twee soorten verveling: situationele verveling en existentiële verveling. In het eerste geval gaat het om een situatie waarin je (tijdelijk) niet kunt doen wat je zou willen: je staat in de rij bij de kassa, bijvoorbeeld, of je moet nog negen uur in een vliegtuig zitten. In het tweede geval gaat het om een structurele gemoedstoestand waarin het onmogelijk is om nog een betekenisvolle relatie met de wereld aan te gaan.

Het is dus nadrukkelijk niet zo dat verveling altijd wil zeggen dat je niets te doen hebt. Ook overvolle werkdagen waarop je geen seconde rust hebt kunnen stierlijk vervelend zijn. Svendsen stelt dat verveling vooral duidt op een gebrek aan betekenis. Je kunt van alles te doen hebben maar tegelijkertijd vinden dat al die bezigheden je aandacht niet waard zijn. Met andere woorden: je activiteiten hebben geen enkele (persoonlijke) betekenis.

Volgens Svendsen is existentiële verveling een typisch kenmerk van de moderniteit. Hij zoekt de wortels ervan met name in de romantiek: een periode waarin de mens zijn eigen innerlijk leven centraal stelt en daarmee God, die traditioneel gezien het menselijk bestaan van een ultieme betekenis voorzag, laat varen. Gevolg is dat de mens zelf betekenis moet geven aan de wereld; er is geen vanzelfsprekende religieuze structuur meer waarbij je simpelweg kunt aansluiten. Het is niet voor niets dat begrippen als genialiteit en originaliteit zo belangrijk worden tijdens de romantiek. Als de dingen niet meer van nature bezield zijn, is er een bijna bovenmenselijke verbeelding voor nodig om ze weer betekenis te geven.

Existentiële verveling treedt op als het individu faalt in zijn poging om het leven te duiden. Svendsen beweert dat dit type verveling epidemische vormen aanneemt in onze huidige maatschappij. We kunnen de absurde betekenisloosheid van de wereld en de tijd zo slecht verdragen, dat we voortdurend op zoek zijn naar afleiding. We werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, rennen van afspraak naar afspraak en vullen de rest van onze spaarzame vrije tijd voor de tv en op onze smartphones. We proberen zo veel mogelijk tijd te vernietigen uit angst voor de leegte ervan. Verveling is een van de centrale problemen van de moderniteit, maar een makkelijke oplossing is er niet. Nieuwe bezigheden en ervaringen verliezen immers snel hun nieuwigheid en gaan uiteindelijk toch weer vervelen.

Svendsens conclusie is dat verveling een realiteit is waarmee we moeten leren leven: werkelijk betekenisvolle momenten zijn schaars, en voor we zo'n moment bereiken moeten we heel wat lege uren, dagen of zelfs jaren doorstaan.

Alles goed en wel, maar waarom is verveling dan zo'n fascinerend onderwerp om over te lezen?

Omdat diepe, existentiële verveling automatisch tot fundamentele levensvragen leidt. Het wijst op een tekort — niet alleen in een individueel karakter, maar in de maatschappij als geheel. Hoe kan een samenleving waarin vermaak een heuse industrie is zo vervelend zijn? Zijn we zo bang voor de confrontatie met betekenisloosheid dat we steeds maar weer vluchten in activiteiten die uiteindelijk óók nooit vervulling zullen brengen?

Het zou productiever zijn om existentiële verveling als een signaal te zien, analoog aan pijn. Het duidt op een probleem, een onbalans die hersteld moet worden. Het is een teken dat we onze meest wezenlijke verlangens negeren, of zelfs helemaal geen idee hebben wat die verlangens zijn. Als het inderdaad alleen aan ons is om het bestaan zinvol te maken, dan zijn we het aan onszelf verplicht om verveling serieus te nemen.

Ik ben het oneens met Svendsens stelling dat verveling in het moderne leven een onoplosbaar probleem is. De oplossing zit namelijk al in zijn eigen definitie vervat: existentiële verveling is een "gemoedstoestand waarin het onmogelijk is om nog een betekenisvolle relatie met de wereld aan te gaan." Dat gecursiveerde woord, "relatie," is cruciaal.

Verveling is een solipsistisch verschijnsel. Je voelt je opgesloten in jezelf; je kunt je aandacht niet meer naar buiten richten, want alles om je heen weerkaatst louter je eigen apathie. Waar je naar verlangt, met andere woorden, is een daadwerkelijke relatie — een wederkerige verbintenis met de dingen en (vooral) de mensen om je heen. Het antwoord op verveling is daarom niet een panische zoektocht naar het nieuwe en het vermakelijke. Het nieuwe wordt altijd, onherroepelijk, weer vervelend; het vermakelijke wordt altijd weer saai. Wat het menselijk bestaan uiteindelijk betekenis geeft, is onze sociale inborst: dat we onderdeel zijn van een familie, een vriendengroep, een liefdespaar. De enige ware vervulling die wij in het leven mogen hopen te vinden, komt voort uit onze relaties met anderen.

Mijn hypothese: existentiële verveling — een totaal verlies aan betekenis — is bovenal een signaal dat we te ver zijn afgedreven van ons verlangen naar elkaar.

Geen opmerkingen: